Memento homo quia pulvis es….

Aswoensdag

Gedenk o mens, dat je van stof bent en tot stof terug zult terugkeren. Dit is het centrale motief van Aswoensdag en de veertig dagen die daarna volgen. Ziehier twee gedichten van mensen in hun laatste levensfase.

Het eerste gedicht is van Jacqueline van der Waals (1868-1922). Ze was de dochter van Nobelprijswinnaar fysica 1910 Diederik van der Waals. Zij is aan kanker gestorven. Het gedicht hieronder is geschreven toen zij nog een beperkte tijd te leven had. Ik kan me levendig voorstellen dat iemand in het aangezicht van het eigen levenseinde zulk gedicht schrijft. Ook al ben je goed omringd, jij bent het die alleen heen zal gaan. En er is niemand anders die je zal vergezellen en/of opvangen dan Hij in wie je hebt geloofd. En als je dan, zoals de dichteres, door zulke spiritualiteit gedragen wordt, beleef je dat toch in dat perspectief. Denk ik. Hoop ik.

Het tweede gedicht is van Jan Campert (1902-1943). Jan Campert engageerde zich in het verzet tijdens de oorlog en werd opgepakt in Baarle-Nassau toen hij enkele Joden hielp ontsnappen naar België. Hij schreef dit gedicht in de cel in het concentratiekamp Neuengamme, waar hij wachtte op zijn executie. Nederland beschouwt hem als een verzetsheld. En als het waar is dat je sterft zoals je geleefd hebt, dan wil Jan Campert sterven als een trotse verzetsman; die trots is de zin van zijn leven.

DIE MIJNS HARTEN VREDE ZIJT

Die mijns harten vrede zijt.
En de enig ware ruste,
Reine bron van klare lusten,
Zuivre zon van zaligheid –
Laat mij willen en niet willen,
Wat Gij wilt en niet en wilt,
Blijde gaande door het stille
Leven in uw vree verstild.
Buiten U is niets dan strijd,
Niets dan moeiten, niets dan zorgen –
Laat mij, in Uw rust geborgen,
Slapen gaan in eeuwigheid.

(Jacqueline van der Waals)


DE ACHTTIEN DODEN

Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed,
Wel kleiner nog is het stuk grond
Dat ik nu nog niet weet,
Maar waar ik naamloos rusten zal,
Mijn makkers bovendien,
Wij waren achttien in getal,
Geen zal de avond zien.

O lieflijkheid van lucht en land
Van Hollands vrije kust –
Eens door de vijand overmand
Vond ik geen uur meer rust.
Wat kan een man, oprecht en trouw,
Nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
En strijdt de ijd’le strijd.

Ik wist de taak, die ik begon,
Een taak van moeiten zwaar,
Maar ’t hart, dat het niet laten kon,
Schuwt nimmer het gevaar;
Het weet hoe eenmaal in dit land
De vrijheid werd geëerd,
Voordat een vloek’bre schennershand
Het anders heeft begeerd.

Voordat die eden breekt en bralt
Het misselijk stuk bestond
En Hollands landen binnenvalt
En brandschat zijne grond;
Voordat die aanspraak maakt op eer
En zulk germaans gerief
Een land dwong onder zijn beheer
En plunderde als een dief.

De rattenvanger van Berlijn
Pijpt nu zijn melodie;
Zo waar als ik straks dood zal zijn
De liefste niet meer zie
En niet meer breken zal het brood
En slapen mag met haar –
Verwerp al wat hij biedt of bood,
De sluwe vogelaar!

Gedenk, die deze woorden leest
Mijn makkers in de nood,
En die hun nastaan ’t allermeest,
In hunne rampspoed groot,
Gelijk ook wij hebben gedacht
Aan eigen land en volk,
Er komt een dag na elke nacht,
Voorbij trekt ied’re wolk.

Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht
Door ’t hoge venster draalt –
Mijn God, maak mij het sterven licht,
En zo ik heb gefaald,
Gelijk een elk wel falen kan,
Schenk mij dan Uw genâ,
Opdat ik heenga als een man
Als ‘k voor de lopen sta…

(Jan Campert)

Tot morgen
Frans

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *